![]() |
|
|||||||||||
|
![]() |
|||||||||||
|
||||||||||||
India: Armoede & HongerOp de volgende drie pagina's vindt u informatie over armoede in India. 1) Armoede & Honger Armoede en honger
Voordat India een Britse kolonie werd, speelde het bos een grote rol in de traditionele landbouw. Vrouwen zochten daar kruiden, brand- en timmerhout en andere materialen die ze konden gebruiken. Bossen hielden regenwater vast dat tijdens de natte moesson viel, zodat er ook in het droge seizoen water voorhanden was voor bevloeiing van akkers en gebruik in huis. Onder het Britse koloniale bestuur verdween een groot deel van het bos om plaats te maken voor plantages of omdat het gekapt werd voor het winnen van teak en andere kostbare houtsoorten. Op de plantages werden exportgewassen verbouwd. Daardoor raakte de traditionele landbouw in het slop en daalde de voedselproductie. Onafhankelijk IndiaNadat India in 1947 onafhankelijk was geworden, gaf de regering boeren de kans om op hun eigen, traditionele manier aan landbouw te doen. De voedselproductie steeg, vooral omdat er meer grond in cultuur werd gebracht. Die stijging kon de bevolkingsgroei nauwelijks bijhouden. Droogtes en andere rampen verstoorden telkens de voedselproductie en dat leidde herhaaldelijk tot hongersnood. En ook als er nergens hongersnood was, bracht de landbouw nauwelijks voldoende op voor de hele bevolking. India moest altijd voedsel invoeren. Ontwikkeling van de industrieBovendien legde de regering zich meer toe op de ontwikkeling van de industrie. In 1947 had India vrijwel géén moderne industrie. De ambachtelijke industrie was in India door concurrentie van Britse bedrijven bijna verdwenen. Om daar wat aan te doen, maakte de regering plannen en zette ze staatsbedrijven op die voor een deel deze plannen moesten uitvoeren. De industrie moest op eigen benen kunnen staan, dus niet afhankelijk zijn van buitenlandse investeerders en in staat zijn om alle goederen te maken die de bevolking nodig had. Daarvoor moest de binnenlandse markt worden beschermd tegen concurrentie van buitenlandse bedrijven. Van vrije handel tussen India en andere landen moest de regering niets hebben. De regering hoopte dat de nieuwe industrie de rest van de economie zou aanzwengelen waardoor de welvaart in het land zou stijgen. Daar kwam weinig van terecht. Weliswaar werd India grotendeels zelfvoorzienend, maar de nieuwe bedrijven konden hun producten moeilijk verkopen want veel Indiase burgers waren té arm om ze te kopen.
HongersnoodDe jaren '65-'67 zijn de jaren van de grote hongersnoden. Het werd pijnlijk duidelijk dat de voedselvoorziening in India kwetsbaar was. De regering besloot maatregelen te nemen om de voedselproductie op te voeren en om meer welvaart te brengen onder de plattelandsbevolking. Groene RevolutieZe startte hiertoe de Groene Revolutie, een moderniseringsprogramma waarbij op grote schaal het gebruik van kunstmest, landbouwgiffen en betere zaden werden ingevoerd en waarbij grote irrigatiewerken werden aangelegd. De hoeksteen hiervan was de invoering in 1967 van een nieuw soort rijstplant die méér opbrengt dan de soorten die in India in gebruik waren. Door dit landbouwprogramma steeg de voedselproductie sterk en kwam er geen hongersnood meer voor in India. In jaren met goede oogsten, 1984 bijvoorbeeld, hoefde India zelfs geen voedsel in te voeren. 'Superrijst'Toch was de Groene Revolutie niet alleen maar een succes. Op akkers waar eerst meer gewassen naast elkaar groeiden, werd uitsluitend de nieuwe rijstplant uitgezet. Daardoor werd de aanplant kwetsbaarder voor ongedierte en plantenziekten en waren er méér landbouwgiffen nodig om die te bestrijden. Ook had de nieuw rijstplant veel water nodig. In droge streken moesten stuwmeren en kanalen voor extra aanvoer zorgen. Voor bevloeiing werd water gebruikt waar veel zout in zat. Dat zout hoopte zich op in de bodem en die werd daardoor steeds minder vruchtbaar. Vooral in Punjab, waar de meeste superrijst werd geteeld, leidde dat ertoe dat vruchtbare akkers veranderden in woestijnbodem. Ten slotte had de nieuwe rijstplant veel dure kunstmest nodig. Door deze tegenvallers zorgde de nieuwe rijstplant niet voor meer welvaart op het platteland. In 1992 maakte de regering een einde aan de Groene Revolutie. Andere maatregelenOok het industriebeleid van de regering en de bescherming van de binnenlandse markt hadden niet het door de regering gewenste resultaat. Al in de jaren ’80 werden beperkingen op de invoer versoepeld. Daardoor vonden grote hoeveelheden buitenlandse goederen hun weg naar de binnenlandse markt. Toen bleek de industrie na tientallen jaren bescherming niet in staat om tegen buitenlandse bedrijven te kunnen concurreren. Producten van eigen bodem waren duur of slecht van kwaliteit in vergelijking met producten die werden ingevoerd. Ook probeerde de regering buitenlandse bedrijven over te halen om te investeren in India. Dat had weinig resultaat. In 1991 ging het roer pas echt om. Gevolgen van armoedeEén van de gevolgen van armoede is kinderarbeid. Hoewel het bij wet verboden is, komt het in India nog veel voor. Een speciale groep betreft kinderen die als schuldslaven in lijfeigenschap leven. Ook worden steeds meer Nepalese meisjes in de grote Indiase steden sexueel geëxploiteerd. Geweld tegen vrouwen door politie of leger, en communaal- en kastengeweld baren eveneens zorgen. De praktijk van bruiddschatten zorgt voor veel misstanden, zoals selectieve abortus van vrouwelijke foetussen, discriminatie van meisjes en verbranding van bruiden. In het algemeen zijn de zwakke groepen en individuen in de samenleving - vrouwen, kastelozen, stamledenmigranten-arbeiders, etnische minderheden - kwetsbaar voor mogelijke discriminatie of mishandeling. Verder naar artikel: Positieve OntwikkelingenTerug naar India startpagina |
|
|||||||||||
![]() |
||||||||||||
|
||||||||||||